Lichaamsbesef

Lichaamsbesef #

Om tot een goede seksuele ontwikkeling te komen, is het van belang dat het kind een basiskennis heeft van het eigen lichaam, ook wel lichamelijkheid genoemd. Volgens Kelsey Egberink begint het lichaamsbesef bij die ene simpele vraag: “Heeft het kind besef over hoe zijn lichaam eruit ziet? En dat gaat ook nog niet eens zozeer alleen over de geslachtsdelen, maar überhaupt over: Weet je waar je teen is? Weet je waar je neus zit? Als ik dat woord zeg, kun je dan überhaupt je neus aanwijzen?” Hierin zijn de verschillen tussen kinderen met EVB en kinderen met een normale intelligentie groot. “Bij normaal intelligente kinderen ben je best al heel vroeg hiermee bezig. Ook binnen consultatiebureaus stellen ze al snel vragen hierover. Eigenlijk zie je dat bij deze kinderen bijna niet gebeuren.” Om deze reden is het van belang om binnen de ontwikkeling aandacht te hebben voor lichaamsbesef. Om tot een goede lichamelijkheid te komen, wordt er gebruik gemaakt van drie verschillende benaderingswijzen: het lichaamsplan, lichaamsbesef en lichaamsidee (Kugel, 1969).

Onder lichaamsplan worden alle sensomotorische structuren bedoelt die het onbewuste en geautomatiseerde gedrag van een kind bepalen. In de loop van de menselijke ontwikkeling ontstaat het lichaamsplan door een wisselwerking tussen (Kugel, 1969):

  1. De in aanleg bepaalde mogelijkheden van neurologische structuren;
  2. Het sensomotorisch functioneren van het kind.

Waar is je teen? Waar is je neus? En je ogen?

Het lichaamsbesef beslaat de kennis dat het kind opdoet via waarneming van de zintuigen. Ook komt hierbij voorstelling- en herinneringsbeeld kijken. Een kind verwerft deze kennis door zichzelf te plaatsen in een ruimte, alsmede de lichaamsdelen en de positie van deze op het lichaam. Het kind leert dus waar de lichaamsdelen zich bevinden. Daarnaast neemt het kind de bewegingen die hij maakt waar via de zintuigen en welke bewegingen zijn lichaamsdelen kunnen maken. Naast dat het kind de bewegingen bij zichzelf waarneemt, doet deze dat ook bij de personen om hem heen om daarvan te leren.
Uiteindelijk leidt tot een objectief beeld van het eigen lichaam (Kugel, 1969).

Onder lichaamsidee wordt het subjectieve beeld van het lichaam verstaan. Dit wordt gevormd door het beleven van de eigen mogelijkheden en de grenzen van het eigen kunnen en het beleven van kwaliteiten en eigenaardigheden van het eigen lichaam (Kugel, 1969).
Kinderen met EVB lopen op zowel cognitief als sociaal emotioneel niveau achter op leeftijdsgenoten zonder beperking. Door deze beperkingen is het ontwikkelen van lichamelijkheid beperkend.

Lichaamsbesef is voor de seksuele ontwikkeling een belangrijke factor; wanneer het lichaam verandert en het kind geen lichaamsbesef heeft, kan dit ernstige gevolgen hebben in de ontwikkeling van het kind. De veranderingen en gevoelens van het lichaam kan leiden tot langdurige stress en angst, wat het lichaam in de overlevingsstand zet (Meisko, z.d.).

Maar hoe werk je aan lichaamsbesef? “Het begint in de basis al met het hebben van aandacht en contact”, begint Kelsey. “Met een kind zitten en kijken van: goh, waar ligt die behoefte en hoe sluit ik daarbij aan? Dus om wel zulk soort spelletjes bijvoorbeeld al te beginnen van: Waar is je teen? Waar is je neus? En je ogen, wijs ze eens aan?” Het contact is in het ontwikkelen dus erg belangrijk, maar ook hoe je als begeleider hiermee omgaat. “Wij doen dingen vanuit het bewuste en het cognitieve. En dat is natuurlijk bij deze kinderen niet altijd zo, want die reageren vaak vanuit lust of onlust. Als je heel erg in de basis zit bij baby’s van nul tot zes maand, is het heel erg de lust-onlust. Ik heb zin aan de fles, alleen dat is voor ons heel tastbaar, dat weten we, maar wanneer in 1 keer een jongere van een jaar of 14 dat laat zien, dan wordt het wel heel gek.”