Redactioneel commentaar

Redactioneel commentaar #

Hoewel er binnen verschillende theorie aandacht wordt gegeven aan het belang van seksualiteit, is dit in de praktijk nog aan onwennigheid onderheven.

Iedere professional prijst seksuele voorlichting aan, echter is deze niet voor alle doelgroepen beschikbaar; tot matig verstandelijk beperkt zijn er methoden voor seksuele voorlichtingen voor mensen met een verstandelijke beperking. Echter, hoe zwaarder de verstandelijke beperking, hoe meer er wordt ingegaan op crisisbeheersing: bij mensen met een licht verstandelijke beperking ligt de verhouding tussen seksuele voorlichting en crisisbeheersing ongelijk; hier wordt meer ingespeeld op voorlichting. Hoe zwaarder de beperking, hoe meer de aandacht verlegd wordt naar de crisisbeheersing, tot we bij de ernstige verstandelijke beperking alleen nog maar volstaan met crisisbeheersing. Dit wordt medebepaald door de complexiteit van het geven van seksuele voorlichting aan deze doelgroep. Immers, hoe leg je een baby uit wat het gevoel inhoudt en wat er van hem wordt verwacht? De lust overheerst enig rationeel denken, als van dit laatste al sprake mag zijn. Toch heeft deze client ook behoefte aan seksualiteit, en moet deze ook de regie krijgen deze naar zijn behoeften in te kunnen vullen. Dit wordt ook gezien door zowel de gedragsdeskundige aangesloten bij een woongroep voor kinderen met EVB, als het Expertiseteam Seksualiteit organisatie breed. Dit laatste team, het Expertiseteam Seksualiteit, moet meer geld ter beschikking krijgen om de doelen op een juiste manier te behalen. Op dit moment wordt het onderwerp seksualiteit ondergeschoven en in de hand gehouden, waarbij er voornamelijk achteraf wordt geïntervenieerd op seksualiteit. Het Expertiseteam moet meer gaan zitten op preventieve interventie, waarbij er een gepaste voorlichting moet worden geboden aan de doelgroep. Hierin komt De Twentse Zorgcentra in haar beschikbaar gestelde financiën mijns inziens tekort.

Opgemerkt moet worden dat de doelgroep kinderen met EVB erg klein is; volgens de laatste telling in 2018, hebben in Nederland ongeveer 440.000 mensen een verstandelijke beperking. Een zesde daarvan, ongeveer 70.000, heeft een ernstige verstandelijke beperking (Vzinfo, 2018). Als ik dit naast het inwonersaantal van 2018 leg (Worldbank, z.d.), betekent dit dat 0,4% van de bevolking ernstig verstandelijke beperkt is. Recentere tellingen ontbreken helaas. Met een berekening met het huidige inwonersaantal van Nederland (Worldbank, z.d.), die niet volledig betrouwbaar te noemen is, kan ik inschatten dat er een kleine 2600 mensen met EVB bij zijn gekomen. Dit zou betekenen dat het percentage nog steeds 0,4% blijft. Van de 0,4% is het onbekend hoeveel procent daarvan kind is.
Dit lage percentage illustreert een reden van weinig aandacht voor de doelgroep, aangezien deze in vergelijking met een licht verstandelijke beperking (6,5% van het totale inwonersaantal (Worldbank (z.d.)), meer aandacht heeft. Tevens wordt de maatschappij vaker met mensen met een licht verstandelijke beperking geconfronteerd, zo blijkt uit meerdere programma’s uit de media zoals Down met Jonnhy of Down the Road (Mediacourant, 2021). Ook draaien zij naar eigen kunnen mee in de normale maatschappij. Voor mensen met een ernstige verstandelijke beperking is dit niet nodig en dienen, deels voor eigen bescherming, te worden ondergebracht op een afgesloten zorgpark, zoals De Twentse Zorgcentra faciliteert in De Losserhof en Het Bouwhuis.
Hierdoor is het niet vanzelfsprekend dat er aandacht is voor deze doelgroep in de maatschappij. Echter, het percentage EVB cliënten gezien vanuit het perspectief van de organisatie, komt het percentage veel hoger uit; van de 1475 cliënten die De Twentse Zorgcentra huisvest, hebben 854 cliënten EVB (De Twentse Zorgcentra, 2023). Dit betekent dat afgerond 58% van de cliënten EVB is. Van deze cliënten is 23% jonger dan achttien jaar (Persoonlijke communicatie, CSB, 20 mei 2025). In dit licht weegt het belang van aandacht voor dit onderwerp zwaar binnen de organisatie en dient zij hierop te acteren.
Op maatschappelijk gebied is te zeggen dat er voor deze doelgroep, ondanks het lage percentage, wel aandacht voor moet worden gevraagd, gezien zowel de richtlijnen van de overheid (Rijksoverheid, 2022), als die van de WHO (WHO, 2006). Tevens beslaat dit onderwerp meerdere niveaus van verstandelijk beperkt. Het vragen van aandacht hiervoor, met als doel het welzijn van deze betrekkelijke groep te bevorderen, ligt dan ook in lijn met mijn taak als social worker (BPSW, 2022). Om deze reden is het de taak van de social worker om leiderschap te tonen.

Seksualiteit bij kinderen met EVB is een ondergeschoven en ondergewaardeerd onderwerp. In de eerste jaren wordt er al onderscheid gemaakt op het gebied van de ontwikkeling van het lichaamsbesef; normaal intellectuele kinderen worden bij het consultatiebureau getest op enig lichaamsbesef, waarbij kinderen met EVB de focus op andere zaken wordt gelegd, zoals mogelijkheden in de ontwikkeling of beperkingen bij opvoeders in de verzorging. Dit is verklaarbaar, maar wel nadelig voor het kind.

Er moet worden gepleit voor een basismethode om de ontwikkeling van seksualiteit bij kinderen met EVB, wat in eenzelfde lijn moet worden aangeboden: te beginnen bij lichaamsbesef om de basis te leggen. Deze basismethode moet organisatie breed worden ingezet en landelijk ondersteund worden, om ook de cliënten buiten de organisatie te dienen.

Concluderend is het een vraagstuk dat meer moet worden behandeld, aangezien zowel de WHO als de Rijksoverheid in haar plannen seksuele gezondheid voor al haar burgers wil realiseren. Ondanks het kleine aantal mensen met EVB, is het van belang dat specifieke organisaties die veel EVB’ers huisvesten, zoals De Twentse Zorgcentra, de aandacht hiervoor vragen. Zij treden hierbij op als groot aandeelhouder en belangenbehartiger van haar cliënten. Mijns inziens wordt er te weinig geld vrijgemaakt om preventief cliënten te begeleiden in seksualiteit. Op dit moment wordt er alleen opgetreden bij incidenten. Door vroegtijdige voorlichting toe te passen, kan er naast het bevorderen van de seksuele gezondheid van de cliënt, ook in de toekomst incidenten worden voorkomen. In het belang van de individuele cliënt is het van belang om als social worker leiderschap te tonen en de verantwoordelijke disciplines hiervoor in te zetten. In plaats van directief leiderschap, maakt de social worker gebruik van dienend leiderschap, waarbij het stellen van vragen en het ruimte geven aan disciplines ventraal staan (BPSW, 2022).