Schema's

Schema’s #

Wanneer we praten over seksualiteit, komen daar naast de sociale aspecten ook de opmaak van schema’s voor (pp. 7. Heemelaar, 2018). Volgens de schematheorie wordt een schema omschreven als een (cognitieve) structuur om stimuli die bij de persoon inwerken te onderzoeken, coderen en evalueren. Door de verzamelde schema’s te bundelen en wanneer nodig aan te spreken, is een persoon in staat om zich te oriënteren in tijd en ruimte en om ervaringen op een betekenisvolle wijze te categoriseren en te interpreteren. (Pp. 120. Jansen, 2002). Schema’s ontstaan al op jonge leeftijd en worden ook in deze periode veelvuldig vastgezet. De schema’s die in de jongere jaren ontwikkeld zijn, hebben grote invloed op de interpretatie van nieuwe gebeurtenissen en ervaringen. Informatie dat binnenkomt, vormen zich dusdanig om in het schema te passen (Pp. 120. Jansen, 2002). Schema’s maken uiteindelijk een persoon wie diegene is.

Ook bij seksualiteit wordt er gebruik gemaakt van cognitieve schema’s. In de seksuologie wordt er echter gebruik gemaakt van de term script, omdat men het in de jaren zestig passender vond het menselijk handelen te vergelijken met acteurs op een podium (Eggermont, 2002). Net zoals een schema, biedt een script de mogelijkheid informatie op te slaan en situaties te interpreteren en te coderen. Scripts worden ook in grote mate beïnvloed door de omgeving. Steele (1999) gebruikt een cognitief-psychologisch begrippenkader, waarin hij media een ’tool-kit’ van seksuele scripts en rolmodellen noemt (Eggermont, 2002).

De seksuele identiteit is een complexe sociale constructie van verschillende scripts uit de omgeving (Eggermont, 2002). Onderzoek laat zien dat een groot deel van de scripts van seksueel actieve adolescenten veel omgevingsfactoren bezat die samenhangen met seksuele attitudes en ervaringen. Omgevingsfactoren bestaan in deze zin uit verschillende sociale context (Eggermont, 2002).

De socioloog Wouters benadrukt dat seksualiteit nooit individueel is; zo staan seksuele verlangens nooit los van relationele verlangens. Iedere bevrediging van een seksueel verlangen vindt plaats in een relatie. De duur van deze relatie kan erg uitgestrekt zijn; van een persoon die je erg lang kent tot een persoon die je tegenkomt op straat. Dit is ook van toepassing bij zelfbevrediging; wanneer men fantaseert is er altijd wel een andere persoon betrokken, in welke minimale vorm dan ook. Seksualiteit sociaal bepaald, in combinatie met biologische aanleg en cultuur (pp. 19. Heemelaar, 2018).

Ook heeft ieder mens een intrapsychisch script, wat als een soort ’logboek’ functioneert voor elementen die een persoon seksueel activeert en niet seksueel activeert. Op het niveau van het onbewuste beschrijft dit script voorwaarden, emoties en gedragingen voor op het terrein van de seksualiteit. Het intrapsychische script is net als ieder script dynamisch in haar vorm, welke zich in het leven ontwikkeld en veranderd wanneer zich nieuwe seksuele ervaringen voordoen (pp. 67. Heemelaar, 2018).

Seksuele scripts zijn net zoals intrapsychische scripts rond het achtste levensjaar al grotendeels gevormd. In de voorgaande jaren worden deze scripts ontwikkeld aan de hand van exploratie op het gebied van seksualiteit, observeren van belangrijke rolmodellen en ervaringen op seksueel vlak. Voor het betekenis- en gedragssysteem is het belangrijk dat de seksuele ontwikkeling op latere leeftijd nog gaat ontwikkelen. In de puberteit is bijvoorbeeld het intrapsychische script nog redelijk dun, welke wordt aangevuld door ervaringen en voorlichtingen in de puberteit. In de puberteit is bijvoorbeeld het erbij horen een groot thema. Binnen dit thema ontdekken zij de geldende gendernormen over wat er wordt verwacht hoe jongens en meisjes zich gedragen. Vanuit deze gendernormen worden ook verschillende culturele normen uit het culturele en intrapsychische script overgenomen en gevestigd in het intrapsychische script van de jongere. Als een jongen bijvoorbeeld seks heeft met een meisje, werkt dit statusverhogend. Wanneer zij een grens overgaan, wordt de persoon gezien als negatief (pp. 67/68. Heemelaar, 2018).