Handelingsverlegenheid #
Geconstateerd wordt dat wanneer het gaat om seksualiteit bij kinderen met een verstandelijke beperking, vanuit de begeleiding steeds vaker handelingsverlegenheid optreedt. Zorgorganisaties steken veel energie en financiële middelen in de externe verantwoording, zoals reglementen, protocollen en procedures. Deze zijn echter vrijwel altijd gericht op situaties wanneer een cliënt ongewenst seksueel gedrag uit naar de begeleiding en hierop gehandeld moet worden. Opleiding en preventie omtrent dit onderwerp blijft uit (Meininger, 2009). Zoals eerder geconcludeerd, schiet seksuele voorlichting veelal tekort, waardoor er een gebrek aan informatie ontstaat voor zowel de cliënt als de begeleider.
Maatschappelijke ontwikkelingen hebben ook haar aandeel in het ontstaan van handelingsverlegenheid. Wanneer in de media verschillende misstanden verschijnen, wordt er op het gebied van seksuele acceptatie een grote impact gezien (Meininger, 2009). Een voorbeeld hiervan was de onthulling van verschillende misstanden bij de talentshow The Voice of Holland, waarbij verschillende coaches betrapt zijn op seksuele handelingen bij haar kandidaten. Na verschillende aangiftes, zijn een enkele hier ook voor berecht of moeten hiervoor nog berecht worden (De Rechtspraak, 2024). Na de openbaring, laaide er een discussie op binnen de maatschappij, wat zich uitmondde in verschillende maatschappelijke veranderingen; zo werd na de discussie verplicht gesteld dat bedrijven een vertrouwenspersoon moesten hebben. Daarnaast bepaalde mensenrechtenorganisatie Amnesty International dat er haast moest worden gemaakt met de invoering van de Wet Seksuele Misdrijven, waarin iedere vorm van onvrijwillige seks moet worden aangemerkt als verkrachting (Oudshoorn, 2022).
De bestuursmatige lijn beheerst
Organisaties moeten inspelen op de maatschappelijke gebeurtenissen zoals hierboven beschreven. Zij stellen regels en protocollen op om op seksueel overschrijdend gedrag te kunnen handhaven. Maar hoe erg organisaties zich ook inzetten hiertoe, bewijzen incidenten dat protocollen vooral een bureaucratisch karakter hebben, anders dan in de praktijk inzetbaar is. Regels en protocollen hebben namelijk geen inhoudelijke visie over hoe zij de seksuele behoeften van de cliënten behandelen: zij richten zich puur op het voorkomen van grensoverschrijdende gedragingen. Dit zorgt voor een spanningsveld, wat zich uit in een ethisch dilemma: Volg je de beheersmatige lijn of ga je voor de invulling van de seksualiteit naar behoeftes van het kind? Vanuit de beginselenethiek gezien staat aan de ene kind de autonomie van het kind voorop, waarbij deze zoveel mogelijk ruimte moet krijgen om eigen verlangens en grenzen te leren kennen. Aan de andere kant is het niet schaden van de ander een belangrijk goed, waardoor de veiligheid geborgen wordt.
Vanuit de gevolgenethiek kan de beheersmatige lijn dusdanig beperkend zijn, dat dit kan leiden tot frustratie, schaamte en vervreemding bij het kind. Aan de andere kant kan het louter volgen van het kind zonder grenzen te stellen leiden tot verwarring en sociale problemen.
Bij de zorgethiek staan de behoeftes van het kind hoog in het vaandel. Hierbij is het de taak van een social worker om uit te gaan van hetgeen het kind nodig heeft. Daarbij moet deze echter ook rekening houden met de behoeften van de (directe) omgeving.
Concluderend is het dus belangrijk om balans te vinden tussen de verschillende handelingsalternatieven. Het is van belang de beheersmatige lijn te volgen zonder de behoeften van het kind uit het oog te laten. Hierbij kan men bijvoorbeeld denken aan het bieden van alternatieven om bepaald gedrag wél in een situatie passend te maken. In iedere situatie kunnen de handelingsalternatieven verschillen, dat komt door de invloed van cultuur, (geloofs)overtuigingen en de visie van de organisatie. Dit vraagt dus om maatwerk.
Louter de beheersing en controle geven geen vervulling van de behoeftevraag van zowel de cliënt als begeleider. In de praktijk heeft echter wel vaak de beheersmatige lijn de overhand (Meininger, 2009).
Ook binnen De Twentse Zorgcentra heeft deze lijn de overhand: Veel wordt ingezet, maar pas wanneer men over de scheef is gegaan. Dit beaamt Marloes Getkate: “Ik denk dat het gedrag al snel als moeilijk en grensoverschrijdend gezien wordt, en vooral bij die EVB cliënten die natuurlijk niet helemaal duidelijk hebben wanneer ze welk gedrag kunnen laten zien, dan wordt het ook al wel snel een probleem. En hoe kunnen we het probleem oplossen, in plaats van dat ik dan denk: kijk er dan naar, hoe kun je het wel vormgeven? Heel veel wordt ingezet, maar pas wanneer men over de scheef is gegaan.”
Dit heeft als gevolg dat het beeld van de seksuele beleving wordt verkleind; wanneer organisaties haar beleid de publieke opinie volgt, creëert zij een beeld dat de seksualiteit van de client zich alleen moet uiten binnen de gestelde kaders, op zowel juridisch als organisatorisch vlak. Met deze weg wordt seksualiteit eerder aangeduid als ‘probleem’ dat vraagt om een praktische en geprotocolleerde ‘oplossing’ (Meininger, 2009).
Ten tweede zorgt het spanningsveld voor een vaak angstig en defensief karakter van gesprekken over seksualiteit. Voor iedere omstandigheid dient er een procedure ingericht te worden om de kans op grensoverschrijdend gedrag tegen te gaan of tot het minimum te beperken (Meininger, 2009). Dit maakt besprekingen over seksualiteit beladen voor iedere betrokkene en vaker een onderwerp dat liever te vermijden is.
Als laatste stimuleert de beheersmatige lijn een omgang met de cliënten die niet wenselijk is, waarbij ieder lichamelijk contact wordt vermeden (Meininger, 2009). Hieronder valt ook contact welke niet seksueel van aard is, maar benodigd is voor de cliënt om zich te aarden in moeilijke situaties, zoals een knuffel, kus voor het slapengaan of het laten zitten op schoot van de cliënt. De angst dat dit verschillende emoties oproept bij de cliënt overheerst hierbij.
“Wanneer we terugkijken, kunnen we concluderen dat we steeds achter het net vissen”
Concluderend kan gesteld worden dat de focus op het beheersen van grensoverschrijdend gedrag en de morele neutraliteit gesticht door verschillende maatschappelijke gebeurtenissen, de hoofdoorzaak is van handelingsverlegenheid bij begeleiders. Gesteld kan worden dat wanneer men zich neutraal opstelt tegenover de uitingsvormen en de (mogelijke) betekenissen van de gedragingen die worden gezien, er meer kan worden gekeken naar de daadwerkelijke behoeften van de cliënt. Het belang van de protocollen en regels wordt wel gezien, maar dient hierbij niet als leidraad te fungeren, maar als opvangnet voor incidenten.
In de praktijk worden momenten van handelingsverlegenheid iedere dag ervaren, mede door de auteur zelf. Daar waar de cliënten wonend op de kindgroep waar de auteur werkzaam is, een woongroep voor kinderen met EVB en gedragsproblematiek, wordt bij de intrede van enig seksueel gedrag een afstand gezien tussen de begeleiding en de cliënt.
De ervaringen van begeleiders liggen uiteen, echter is overeenkomend iedereen het ermee eens dat er vooraf moet worden ingezet op seksualiteit. Zonder enige hulpmiddelen, is het soms gokken, zo legt Bo, persoonlijk begeleider bij De Twentse Zorgcentra op een woongroep voor kinderen met EVB, uit: “Het voelt alsof er met hagel wordt geschoten op het onderwerp seksualiteit; we doen maar wat. We zetten maar dingen in, in de hoop dat het ergens zijn werking vindt. Maar keer op keer, wanneer we terugkijken op een bepaalde periode, kunnen we concluderen dat we steeds achter het nest vissen.” De gevolgen hiervan zijn ook niet mals. “Iedere keer komen we erachter dat wanneer we meer aan de voorkant zouden hebben gedaan voor de kids op het gebied van seksualiteit, dat we wellicht verder zouden zijn gekomen dan dat we nu kwamen. Nu komen de jongens in een slechte periode en gaan we hierop acteren, te laat dus. Iedere keer weer lopen we achter de feiten aan. Je wilt juist aan de voorkant de zaak stabiel hebben.”
De manier waarop er aan de voorkant moet worden gewerkt aan seksualiteit verschilt; de ene begeleider vindt dat er wordt volstaan met een E-learning, waar de ander een cursus op maat prefereert. Door de antwoorden van de begeleiders, is verweven wat Gitte, begeleider op dezelfde woongroep als Bo en verantwoordelijke voor het teamplan, als vraag goed aan weet te geven: “Hoe moeten we omgaan met de fysieke handelingen die komen kijken bij seksualiteit bij de kids?” Dit gedrag is het meest zichtbaar, waardoor op dit gedrag het meest wordt gehandeld. Dit bevestigt de theorie, waarbij dit zich voornamelijk focust op hetgeen zij zien ter vergelijking op zichzelf; ze vergelijken de waarneembare handelingen met hun eigen beleving van seksualiteit.
Handelingsverlegenheid wordt binnen het begeleidersteam ook veel ervaren, in verschillende vormen. Zo wordt de één wat pro-actiever door het gedrag weg te leiden, de ander probeert juist meer aan de tegemoet te komen aan de vraag van de cliënt, zo goed als zij kan: “Ik probeer altijd een gulle middenweg te vinden. Wanneer een cliënt op zijn manier aangeeft seksueel zich te willen uiten, zoek ik naar een mogelijkheid voor hem. Het lastige alleen is dat de cliënt er zelf ook niet zoveel van snapt en hier niet zoveel mee kan”, aldus Bo. Hierin blijkt ook weer het ontbreken van een gezamenlijke visie en normen en waarden, want op dezelfde vraag hoe begeleiders met het gedrag om gaan, antwoordt Ruben, begeleider op dezelfde woongroep, bijvoorbeeld: “Ik probeer het gedrag om te vormen. Niet dat het er niet mag zijn, maar op sommige momenten is het nogal, nou ja, onhandig. Of ik stuur de cliënt naar buiten, of pak een activiteit om te doen.” Anouk, begeleider op dezelfde woongroep en ondersteuner van één van de twee persoonlijk begeleiders, pakt het weer anders aan: “Ik vertel hem dat het niet mag, maar weet niet zo goed of dat goed is. In het moment voelt dat goed. Tijdens douchemomenten geef ik hem dan meer ruimte om lekker zijn ding te doen, alleen snap ik dat er dan niet altijd nog hetzelfde gevoel is dan eerder toen hij de broek uittrok. Ik word er ook ongemakkelijk van merk ik. Ook vooral omdat de jongens nu aan het puberen zijn en zowel de jongens als ik niet weten wat ik ermee moet.” Uiteindelijk zorgt deze onzekerheid voor handelingsverlegenheid, waarbij de juiste afgestemde werkwijze in het midden zweeft. Tijd en ruimte om dit goed aan de kaak te stellen is er ook niet echt, zo stelt Bo: “Ik moet ook eerlijk zeggen dat het werk zich dusdanig opstapelt dat er geen ruimte lijkt te zijn voor dit soort ingewikkelde kwesties.”
Eenduidige visie ontbreekt
Er zijn wel enkele interventies gepleegd ten aanzien van de bevordering van de seksualiteit van de cliënten, maar in beperkte vorm. Zo zijn er spiegels aangebracht in iedere badkamer. “Zodat de kids zichzelf kunnen zien in de spiegel neem ik aan”, begint Gitte. “Op die manier weten ze hoe zij eruit zien, ook daar beneden, weet je wel? Ik merk er alleen niet veel van dat ze die gebruiken.”
Al met al wordt er in de praktijk verschillend gereageerd op het onderwerp seksualiteit, maar eenduidige visie is er niet, evenals een overeenkomende begeleiding. De begeleiders handelen nu voornamelijk vanuit hun eigen normen en waarden. Door de druk van het werk is er ook geen ruimte om dergelijke onderwerpen te behandelen, terwijl ook de begeleiders de ernst van het bespreken van dit onderwerp zien. De ernst van een gedegen seksuele gezondheid wordt wel gezien, maar hierop acteren blijft lastig. Alles hangt samen met het geld en de ruimte die de organisatie hiervoor vrij wilt maken.