Ethiek binnen seksualiteit #
Ethiek gaat hand in hand met seksualiteit, maar niet altijd ten positieve: door verschillende normen en waarden ligt er voornamelijk een taboe op het onderwerp seksualiteit, zo legt Marloes Getkate van het Expertiseteam Seksualiteit van De Twentse Zorgcentra uit: “Je merkt nog steeds wel op groepen dat mensen überhaupt moeite hebben om iets bij de naam te noemen. Dat als ik het vrouwelijk geslachtsdeel een vagina noem, dat ze dan zo kijken van: oeh.”
Mensen lijken de directe confrontatie met het onderwerp seksualiteit te vermijden
Vermijden komt vaak vanuit de persoon zelf. “Als het noemen van geslachtsdelen bij de naam al spannend is of jij niet vanuit jezelf doorhebt dat jij het een spannend onderwerp vindt, dat snap ik wel dat het ook wel lastig is, om dat op een groep goed vorm te kunnen geven.” Hierin vormen de normen en waarden van de begeleiders op de groep een blokkade om de seksualiteit van een cliënt goed vorm te geven.
Uit normen en waarden omtrent seksualiteit is een geheel eigen stroming ontstaan; seksuele ethiek (Meininger, 2009). Verschillende ethici struikelen over de exacte vormgeving van deze stroming; waar iemand bij seksualiteit alleen oog heeft voor de voortplantingsfunctie, wordt er voornamelijk gekeken naar heteroseksualiteit, terwijl elementen als scripts en de eigen identiteit ontwikkelen niet worden gezien (Carlier, 1986). Om dit te voorkomen, kan seksualiteit worden bekeken vanuit twee typen normatieve-ethische voorschriften. Ten eerste zijn er hermeneutisch-ethische kaders die gaan over de interpretaties van betekenissen van seksualiteit. Ten tweede bestaat er een ethisch kader dat neutraal wil zijn ten opzichte van de geïnterpreteerde betekenissen en dat voor seksueel gedrag met twee ethische beginselen in zich: het beginsel van wederzijdse instemming en het beginsel van niet-schaden. (Meininger, 2009).
Marloes Getkate geeft aan dat er nog te weinig aandacht wordt gegeven aan de hermeneutische benadering: “Wij hebben wel een hermeneutische cirkel, maar die wordt bijzonder weinig gebruikt. Hoe mooi is het dat als je wel ruimte hebt tijdens een teamvergadering en om dan gewoon eens een cliënt te pakken? Waarbij het misschien niet op de oppervlakte ligt, waarbij je wel gewoon eens goed kunt kijken, hè, van: Wat ligt er allemaal? Wat ligt er onder? Ligt er nog een behoefte? Hebbe we hem goed in beeld? Het is niet eens alleen om het stukje seksualiteit, hij bevat eigenlijk alles, maar neemt het stukje seksualiteit wel mee daarin.”
De hermeneutisch-ethische benadering streeft naar het begrijpen en ontwikkelen van normatieve kaders op basis van individuele en culturele betekenissen die de beleving van seksualiteit structuren. Vanuit hier zijn drie normpatronen van elkaar te onderscheiden: (Meininger, 2009).
- Een voortplantingsgecentreerd normpatroon. Hierin wordt seksualiteit primair gezien als benodigd criterium voor het voortplanten, en dus het voortbestaan van mensen;
- Een relatiegecentreerd normpatroon. Seksualiteit wordt gezien als uiting van gevoelens tussen twee mensen;
- Een behoeftegecentreerd normpatroon. Dit beheerst zich louter tot het bevredigen van de lustbehoefte.
Bovenstaande komen niet zelden in combinatie met elkaar voor, waarbij het per individu in wisselwerking van elkaar verschilt. Hierbij zijn individuele en culturele aspecten van grote invloed (Meininger, 2009).
De ethisering van seksualiteit wordt in een onderzoek van Van Ussel (Carlier, 1986) de voornaamste oorzaak gevonden in een wijziging van de normatieve waardenschaal. Aspecten die hierin meewegen worden gevonden in sociale, economische, psychosociale en biologische aspecten. Hierdoor wordt bij iemands beoordeling sneller gegrepen naar seksuele losbandigheid. Ook wordt de term seksueel snel gemengd met elementen die niet per definitie seksueel van aard zijn, zoals rolvervulling, lichamelijkheid en machtsuitoefening. Hierdoor kan ook dit element niet zonder ethiek worden behandeld (Carlier, 1986).
Vanuit de beginselenethiek, waarbij er wordt gekeken naar de fundamentele principes, komt het thema autonomie naar voren: welke invloed mag het kind uitoefenen op het eigen leven (Stokkum, 2010)? Voor kinderen met EVB is dit zeker niet vanzelfsprekend; door hun beperkingen moeten veel zaken overgenomen worden, van de meest praktische zoals verzorging tot de meest emotionele, zoals het maken van keuzes. Echter maakt dit dat autonomie onder deze doelgroep als een groot goed moet worden gezien en moet worden beschermd (Stoffelen, 2015). Tevens komt vanuit de beginselenethiek naar voren dat de social worker moet handelen in het belang van de ander (BPSW, 2022) en dat seksualiteit bijdraagt aan welzijn, verbondenheid en plezier (Stokkum, 2010).
Wanneer het aankomt op seksualiteit, is het kind zelfbepalend dat hij aangeraakt wil worden en door wie, op welk moment en op welke manier. Het is van belang dat zijn omgeving de (non) verbale signalen van het kind kent om te begrijpen waar de grens van het kind ligt. Autonomie betekent in deze context ook ruimte geven en afstemmen (Stoffelen, 2015).
Vanuit de gevolgenethiek wordt er gekeken naar wat het meeste welzijn oplevert voor de persoon (Stokkum, 2010). Hierin is seksuele voorlichting vanuit de gevolgenethiek erg wenselijk, daar waar dit zorgt voor zelfvertrouwen, grensbesef en een betere uiting binnen de bekende kaders. Het toepassen van de gevolgenethiek dwingt tot het afwegen van risico’s, belangen en gevoelens tegen elkaar. Dit betekent dus maatwerk voor de cliënt en diens omgeving.
De zorgethiek gaat uit van de relaties, betrokkenheid en verantwoordelijkheid, waarbij het voornamelijk draait om het zorgzaam handelen in bepaalde situaties (Stokkum, 2010). Op het gebied van seksualiteit betekent dit dat je als social worker nabijheid moet bieden, waarbij aandacht, grenzen en warmte belangrijke speerpunten zijn binnen de begeleiding. Hierbij ga je uit van de behoeften van de cliënt (Stokkum, 2010).